|
Govert Snoek
Uit God zijn we geboren, in Christus sterven we, door de Geest worden we wedergeboren
Esoterici en civettrekkers
Abraham Willemsz. van Beyerland (1586/7-1648) en Pieter la Burgh (1630-1689) waren vermogende mannen dankzij onder meer de civethandel. Civet is de klierafscheiding bij de anus van de civetkat, die in de zeventiende eeuw uit West-Afrika werd gehaald. Een weinig verheffende handel, maar Van Beyerland en La Burgh hadden ook nog een andere kant.
Om de civet – of musk – te verzamelen worden de klieren om de tien dagen leeggeschraapt, wat voor de kat een erg pijnlijk proces is. De kat bakent er zijn territorium mee af en rijke westerlingen gebruik(t)en de afscheiding voor geneesmiddelen en parfums. Grote parfummerken gebruiken de musk nog altijd. Van Beyerland deed echter wel iets moois met zijn handel. Hij verzamelde, vertaalde en financierde er de uitgave van de werken van Jacob Böhme (1575-1624) mee en hij vertaalde zelf het Corpus Hermeticum. Zo ook Pieter la Burgh: hij bezorgde een tweede editie van het Corpus Hermeticum. Beide heren waren esoterici. De annalen berichten dat Van Beyerland zich ergens tussen 1610 en 1615 in Amsterdam heeft gevestigd. Zijn geboorteplaats is echter onbekend. In 1622 trouwt hij met Niesgen Jansdr. Kiefs van Sittard, weduwe van de boekbinder Abraham Huybrechtsz. Zij sterft twee jaar later. In 1626 hertrouwt Van Beyerland met Geertruyd van de Poel, dochter uit een familie van papierfabrikanten en papierhandelaren. Van Beyerland zat dus dicht op het ‘boekenvak’. Ook is Van Beyerland nog boekhouder en ouderling van de Waalse kerk in Amsterdam en van 1641-1642 regent van het Walenweeshuis. Een belangrijk man dus!
Esoterische vrijhaven
Van Beyerland was een veelzijdig man en op velerlei gebied geïnteresseerd. Dat weten we uit de inventaris van zijn bezittingen met meer dan tweehonderd boeken in het Frans, Duits, Latijn en Nederlands. Er was van alles aanwezig. Bijbels in diverse talen, zelfs in het Hebreeuws. En er waren boeken van klassieke filosofen, de kerkvaders waren rijk vertegenwoordigd, net als de boeken van reformatoren en Engelse piëtisten. Maar vooral de geschriften van mystici en esoterici waren prominent aanwezig. Allereerst de werken van de mystieke wederdoper David Joris (1501-1556), met maar liefst achttien titels. Met David Joris hoef je tegenwoordig niet meer aan te komen bij de doopsgezinden – daar is men veel te vrijzinnig voor –, maar uit het aantal titels blijkt wel dat Joris in bepaalde kringen in de gouden eeuw populair was. Wanneer een bibliotheek werken van David Joris bevat, zijn andere mystici en spiritualisten vaak ook aanwezig.
(Het volledige artikel bevat 1902 woorden)
Met het oog op....
Embrace
Embrace your Self and the world you're being in with Love, but Merge into All that is.
In het schilderij ‘Embrace’ uit 2009 zocht ik de ruimte. Dit is een experimenteel werk in acrylverf op doek, 50 x 70 cm, zoekend naar een middenweg tussen ruimtelijkheid en het platte vlak.
Met gipsverband en modelleerpasta heb ik de gewenste dieptewerking verkregen.
Mijn drang naar ruimtelijkheid was groot bij dit doek. Door mijn studies ruimtelijke presentatie / vormgeving en de lerarenopleiding handvaardigheid aan de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden, was ik het beste thuis in creëren in 3D. Door een chronische pijnaandoening waar ik negeneneenhalf jaar geleden mee te maken kreeg, ben ik overgestapt naar het tweedimensionale vlak.
Ik ontdekte grote vrijheid en flow in het werken met verf.
Schilderen is voor mij een creatief en spiritueel proces. In mijn werk vertaal ik energetische dimensies die veelal verborgen lijken voor het aardse. Ik schilder met energie. Op Curaçao geboren in 1975, ben ik op mijn tiende naar Nederland verhuisd. Ik ben gevormd door intense spirituele ervaringen, en met enorme hechtheid met het Hogere, ontplooi ik mijn wezen verder. Nog steeds op pad, hoop ik dat ik met mijn werk ook anderen de harmonie en energie van evenwicht en vrijheid kan laten beleven om zo tot de Ware natuur te komen.
Geneviève Gougon
www.gougondesign.com
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
Ronald Hermsen
Comenius: ‘Zijn wij hier in Babel? Iedereen zingt zijn eigen lied! Kan er een grotere warboel bestaan?’
Het ene nodige
Hij is een van die grote onbekende bekenden. Scholen, straten, pleinen zijn naar hem vernoemd, maar de kleine lettertjes op de naambordjes zijn voor velen van ons nodig om te weten wie Comenius ook alweer was en wat hij ook alweer heeft gedaan. Hij was in ieder geval grensoverschrijdend, zoals het een homo universalis betaamt.
Want een homo universalis was Comenius (Jan Amos Komenský, 1592-1670) toch zeker. Naast pedagoog, die later onder andere Maria Montessori inspireerde, was hij vredestichter, drukker, uitgever en theoloog, filosoof: ‘Wijsheid is je niet laten misleiden door meningen van anderen of door je eigen illusies.’ Comenius ontwikkelde een pansofie, een universele leer waarin theologie, filosofie en natuurwetenschappen samenkomen. Kosmos, aarde, natuur en mens werden door hem gezien en beleefd als ‘één levend, integraal geheel, waarin alles met alles in een multidimensionale relatie staat’. Hij had veelvuldig contact met de grote religieuze en filosofische denkers van zijn tijd – waaronder Johann Valentin Andreae, de schrijver van de rozenkruisermanifesten – en ook met het belangrijke wetenschappelijk instituut de Londense Royal Society. Comenius ligt begraven in de voormalige Waalse kerk (nu Comeniusmuseum) in Naarden Vesting. In het oudste gedeelte hiervan is een mausoleum ingericht, dat in 1937 plechtig werd ingewijd. In het museum staat onder meer te lezen: ‘De ideeën van Comenius over de mens en diens plaats in de wereld hebben allerlei stromingen en organisaties beïnvloed. De verwantschap die bijvoorbeeld de vrijmetselarij voelt met het gedachtegoed van Comenius wordt uitgedrukt in de ramen van het mausoleum.’ Inderdaad, hoog, in helderblauw glas-in-lood, zijn de meetinstrumenten te vinden die zo typerend zijn voor deze geestelijke loges.
Waarom Comenius in Naarden werd begraven is nog steeds onduidelijk. Wel is bekend dat hij zich na vele omzwervingen, met name als gevolg van de heersende godsdienstonvrijheid, in 1656 vestigde in Amsterdam, waar hij in 1670 overleed. In Amsterdam sloot hij zich aan bij de Waalse kerk en raakte bevriend met enkele predikanten. Een van hen, J.L. Grouwels, predikant te Naarden, betaalde de begrafenis van Comenius. Hij was weer een aangetrouwd lid van de familie De Geer, het koopmansgeslacht dat Comenius in Zweden en in Amsterdam heeft ondersteund. Grouwels en/of De Geer bezaten een landhuis bij Naarden en het is daarom niet ondenkbaar dat Comenius hier ooit heeft gelogeerd, maar van een concreet bewijs voor een verblijf van Comenius in Naarden ontbreekt elk spoor.
(Het volledige artikel bevat 2755 woorden)
Arno Kaat
Johannes als alchemist?: hoe Rembrandt het bedoelde
Het vuur hernieuwt de natuur
De mysterieuze ‘Faust’-ets (ca. 1652) van Rembrandt van Rijn (1606-1668) plaatst beschouwers al eeuwenlang voor een raadsel. Temeer vanwege de cryptische woorden en tekens die de maker erin heeft verwerkt. Wat stelt de ets ¬voor? En wat is de betekenis van deze cryptische woorden en tekens?
Soms moet het honderden jaren duren voordat iemand de betekenis van een kunstwerk ontsluit. Het komt voor dat beschouwers en exegeten eeuwenlang het belangrijkste over het hoofd zien. De ‘Faust’-ets (zie afb. 1) van Rembrandt is een sprekend voorbeeld. Het duurde tot in de twintigste eeuw voordat kunsthistorici wezen op de cruciale rol van de letters INRI. Deze letters staan in de binnenste van drie cirkels die samen het meest opvallende deel vormen van een lichtgevende verschijning. Een andreaskruis verdeelt de binnenste cirkel in vier segmenten. In ieder segment staat een letter. De vier letters vormen samen de afkorting INRI, die op zijn beurt deel uitmaakt van een kabbalistische combinatie met letters in de middelste en de buitenste cirkels. Waarom INRI, in verschillende betekenissen, onmisbaar is voor een juist inzicht in de prent, zal ik verderop in dit artikel uiteenzetten.
Occulte praktijken
Op de betreffende voorstelling zien we verder een mannelijk persoon die aan een tafel staat met daarop een opengeslagen boek. Hij kijkt naar de genoemde verschijning, waarin zich een bovennatuurlijk wezen manifesteert. Zijn gezichtsuitdrukking is geïnteresseerd onderzoekend.
Rechts naast de cirkel met anagrammen, zien we een spiegel waarin de wijsvinger van het bovennatuurlijke wezen weerspiegeld wordt. De verschijning verlicht het hoofd, de schouders en de borst van de man. Het schemerige daglicht dat door een raam op de achtergrond schijnt, vloeit samen met het licht van de verschijning. Rechts op de voorgrond staat een bolvormig voorwerp; het kan een astrolabium of een globe zijn. Links van de persoon, ongeveer ter hoogte van zijn hoofd, ligt een menselijke schedel. ‘De prent is van een man die met occulte praktijken een hemels visioen oproept’, schrijft Rembrandtkenner Gary Schwartz dan ook.
Van Rijn gaf, naar men aanneemt, zelf geen titel aan zijn verfijnd uitgewerkte prent. De eerste naam die we in de annalen tegenkomen is: Een praktiserende alchemist. Deze benaming komt voor op een inventarislijst uit 1679 van de kunsthandelaar Clement de Jonghe, een goede bekende van Rembrandt. De naam ‘Faust’-ets is gebaseerd op een achterhaalde interpretatie uit de achttiende eeuw.
(Het volledige artikel bevat 2038 woorden)
Mirjam de Baar
De boodschap van de profetes Antoinette Bourignon
De Vlaamsche dochter die soo hoog van Goddelijke dingen
sprak
Een van de vele profetische figuren die in de zeventiende eeuw in Amsterdam neerstreken, was de uit Vlaanderen afkomstige profetes Antoinette Bourignon (1616-1680). Zij was ervan overtuigd dat zij door God verkozen was om het ‘ware’ christendom op aarde te herstellen. Want weldra zou het einde der tijden aanbreken en het Laatste Oordeel worden geveld en alleen de ‘ware’ christenen zouden worden gered.
God had Antoinette Bourignon gezonden om deze ‘ware’ christenen te verzamelen. Zij alleen, en niemand anders, zou hun de weg naar het eeuwig heil kunnen wijzen. Met haar religieuze boodschap wist Bourignon al vrij snel een groep volgelingen aan zich te binden en zo rond haar persoon een internationaal spiritueel netwerk op te bouwen. Van huis uit was Antoinette rooms-katholiek. Zij werd in 1616 in Lille (Rijsel) geboren en groeide op in een welgesteld burgerlijk milieu. Het huwelijk waartoe haar ouders haar hadden bestemd, wees zij af en zij koos voor een aan God gewijd leven.
In haar autobiografie La Parole de Dieu (1663) beschrijft Bourignon hoe zij rond haar negentiende een visioen kreeg, waarin een bisschoppelijk figuur aan haar verscheen die zich voorstelde als de Heilige Augustinus. Van hem kreeg zij de opdracht om zijn orde te herstellen, maar wat dat precies betekende, wist Bourignon niet. Met dit visioen uit 1635 begon dan ook een spirituele zoektocht. Het zou haar uiteindelijk tot een kritische en onafhankelijke stellingname ten opzichte van de kerk en het kerkelijk leergezag brengen.
Beschuldigingen van toverij
Aanvankelijk zocht Bourignon steun bij de clerus. Zij wist in 1636 zelfs door te dringen tot de aartsbisschop van Cambrai (Kamerijk). In overleg met hem besloot zij met een aantal geestelijke dochters uit Mons (Bergen) een eigen gemeenschap te vormen. De plannen die zij hiervoor maakte, vonden echter geen doorgang. Vervolgens zocht zij binnen de marges van de kerk naar een plaats waar zij zich kon afzonderen van de wereld om zich over te geven aan gebed en meditatie. De jaren tussen 1643 en 1647 bracht zij door in een kluis net buiten de stadsmuren van haar geboortestad. Hier voltooide zij haar eerste geschrift, dat gewijd was aan de volmaaktheid van het leven in afzondering. Vanaf 1653 stond Bourignon negen jaar lang aan het hoofd van een gasthuis voor arme meisjes in Lille.
(Het volledige artikel bevat 2490 woorden)
Mirjam van Duivenvoorde
‘Welk ander land waar men kan genieten van een vrijheid zo compleet’
René Descartes
Sporen van licht
Onlangs verscheen een boekje met de titel Spoor van Licht, waarin een wandeltocht langs de Amsterdamse onderkomens van esoterici, vrijdenkers en religieus geïnspireerde mannen en vrouwen wordt beschreven. In dit artikel volgt Mirjam van Duivenvoorde een aantal van de hierin beschreven esoterici en bewegingen.
In de gouden eeuw was Amsterdam het centrum van de wereld: welvarend, intellectueel en met een grote mate van religieuze vrijheid. Omstreden denkers, doeners en esoterici uit heel Europa streken neer in dit ‘Nieuwe Jeruzalem’. een rondleiding door de Amsterdamse binnenstad.
Michel le Blon - Keizersgracht 226
Aan de Keizersgracht nummer 226 woonde vanaf 1639 de beroemde Michel le Blon (1587 Frankfurt am Main - 1658 Amsterdam). Le Blon kreeg een opleiding tot edelsmid en graveur en vestigde zich omstreeks 1605-1610 in de Noordelijke Nederlanden. Mogelijk toen al in Amsterdam, waar hij woonde aan de Singel tegenover de Appelmarkt. Hij stond bekend om zijn kunstkennis en briljante conversatie, was lid van de Brabantse Kamer ’t Wit Lavendel, vriend aan huis bij Roemer Visschers ‘salich Roemers huys’ en ook zeer bevriend met de dichter Joost van den Vondel. Tevens nam hij deel aan de Muiderkring van P.C. Hooft. Behalve als edelsmid en graveur ontplooit hij zich evenals Rubens en een aantal andere kunstenaars tot diplomaat en kunsthandelaar, twee beroepen die goed met elkaar te combineren waren. Zo bemiddelt hij bij de verkoop van werk van Rubens en van de vervolgde schilder en rozenkruiser Torrentius uit Haarlem. Tevens is hij diplomaat aan het Engelse hof. In 1638 wordt hij door de Republiek als diplomaat naar Brussel gezonden om af te tasten in hoeverre Spanje tot een vrede bereid zou zijn. In datzelfde jaar ontmoet hij ook de Silezische edelman Abraham von Franckenberg, een van de behoeders van Jacob Böhmes nalatenschap. Deze is dan in Amsterdam te gast bij Böhmes vertaler Abraham Willemsz. van Beyerland. In 1642 koopt Le Blon van Von Franckenberg een aantal brieven en het manuscript ‘Gebetbüchlein’ van de hand van Jacob Böhme. Hij vertaalt de teksten zelf en brengt ze in 1653 uit onder de titel Gulde kleynoot eener aendachtighe ziele. Ook krijgt Le Blon een exemplaar in handen van de Fama Fraternitatis - een van de rozenkruisergeschriften die tussen 1614 en 1616 in Duitsland anoniem werden gepubliceerd, dat hij later zal overdragen aan de schilder Rubens. Hij leest het met grote aandacht, vreugde en verwondering, en schrijft in een brief getroffen te zijn door de ‘theologia magia’, de openbaring waarnaar hij met groot verlangen uitkijkt. Zijn devies ‘mourir pour vivre’ – sterven om te leven – toont de vogel feniks, die in het vuur ten onder gaat en uit zijn as glorievol herrijst.
(Het volledige artikel bevat 2636 woorden)
Marleen in Reliland
Marleen Schefferlie
Marleen Schefferlie op onderzoek in religieus Nederland. Marleen werkte jarenlang als moderedacteur. Zij bestudeerde de filosofie van yoga en maakte in 2008 met Rozenrood haar literaire debuut bij J.M. Meulenhoff.
De bus naar huis
‘Nadat Hij de lege domeinen der angsten was doordrongen, heeft Hij zich voortbewogen tussen hen die naakt waren door vergetelheid en verkondigde tegelijkertijd – omdat Hij gnosis is en volkomenheid – wat in het hart is van de Vader, om dit aan hen te onderwijzen die de lering zullen aanvaarden.’
Zo klonken de laatste zinnen van de Goede Vrijdaglezing van de Vrij Katholieke Kerk, afkomstig uit het Evangelie der Waarheid.
Met Pasen dit jaar werden door deze VKK, ontstaan in 1916 uit de ongebruikelijke synthese van katholicisme en theosofie, de Nag Hammadigeschriften en Het Grote Boek der Apokriefen in gebruik genomen. Maar waarom?
Drs. Slavenburg, auteur van Het Grote Boek der Apokriefen, legt uit dat de eerste christelijke gemeenschappen charismatisch waren, zonder dogma. Derhalve zouden deze gnostieke teksten dichter bij het oorspronkelijke christendom liggen dan de canonieke boeken. Door de afwezigheid van de Grieks/Romeinse traditie in de geschriften, aldus priester Pameijer, floreert nog het oude mythologisch bewustzijn. Dr. Glaudemans, vertaler van de Nag Hammadigeschriften, vult aan dat door middel van deze lezingen de immanentie van God herontdekt kan worden. Ken Uzelve – ken God, want Hij weet nog wie wij ten diepste zijn.
Een levendige discussie met het forum ontbrandt, ondanks mijn geringe kritische noot. Want ik kan alleen maar instemmend knikken als gesteld wordt dat iedere priester een mysticus moet zijn. En ook ik vind dat ieder denkmodel de tijdelijke waarde heeft van een bushalte. Het door Benedictus verafschuwde relativisme viert hier hoogtij.
Het is in de pauze niet bepaald dringen bij de koffietafel. Vicaris-generaal Theo Mensink duidt de magere opkomst als media-onervarenheid. De gemiste Trouw-redacteur die ik later bel, geeft aan er eerder al een artikel aan te hebben gewijd. Want hoe hemelschokkend is zo’n invoering nu nog?
Een week erna, bij de vredige Amsterdamse VKK-mis op Beloken Pasen, schiet de organist in de lach als uit de Wijsheid van Jezus Christus wordt voorgedragen, dat behalve Zijn twaalf leerlingen ook zeven vrouwen Jezus volgden. Het is even wennen. De mis is mooi, maar mijn Christus slaapt verder, naakt als ik blijf door vergetelheid.
De natuur als uitdrukking van God
Paradijselijke tuinen en lusthoven
In de zeventiende eeuw belegden de rijken der aarde hun geld in tuinen en lusthoven. Hierin kwam hun politieke, religieuze of esoterische interesse tot uitdrukking. De buitenplaats is een macrokosmische afbeelding van God. Wandelen en mediteren in de lusthof deed men om zichzelf te vinden, de natuur te onderzoeken en God te eren.
Er is een mooi embleem van Michael Maier (1568-1622) met het devies: ‘Mag de natuur uw gids zijn’. Op het embleem zien we een zoeker met een lamp de voetsporen van Vrouwe Natura volgen. De toelichting van Maier bij het embleem is:
Volg haar met uw kunst gewillig en nabij. Je dwaalt wanneer ze niet je metgezel is. Laat de rede je staf zijn, laat het experiment je blik sterken, zodat de dingen die ver weg zijn ontdekt kunnen worden. Laat de literatuur je lamp zijn, die in de duisternis schijnt, zodat je wordt beschermd tegen de veelheid aan dingen en woorden.
(Zie afb. 1.)
Michael Maier is niet de eerste de beste. Het embleem behoort tot vijftig emblemen opgenomen in het beroemde boek Atalanta Fugiens. In deze vijftig emblemen vertelt Maier het programma van de pansofische kijk op de werkelijkheid, waarin God, de schepping of de natuur en de mens in een drievoudige relatie op elkaar betrokken zijn. In de pansofische wereldopvatting is de natuur bezield en uitdrukking van God. De natuur is het boek van God. Via het ervaren van de natuur en via het onderzoeken van de natuur kan men op God zelf contempleren.
Weelderige alchemie
Om de contemplatie op God via de natuur goed te kunnen doen, ontwierpen en maakten de rijken der aarde in de zeventiende en achttiende eeuw de zogenaamde lusthoven. Lusthoven zijn bijvoorbeeld de tuinen van Het Loo (Apeldoorn), het Slot Zeist (Zeist) en Hofwijck (Voorburg). Het lusthof Hofwijck, of de buitenplaats Hofwijck, is een van de meest interessante, vanwege de eigenaar: de beroemde dichter Constantijn Huygens (1596-1687). Huygens schreef in 1653 een zogenaamd ‘hofdicht’ getiteld Hofwijck. Hierin vertelt hij in ongeveer 2700 regels over een wandeling door zijn buitenplaats. Een deel van de buitenplaats is overigens niet zo lang geleden gereconstrueerd. Je kunt deze zien liggen wanneer je met de trein van Utrecht naar Den Haag gaat, bij de spoorbrug over de Vliet.
In zijn hofdicht vertelt Huygens over wat hij tijdens zijn wandeling ervaart. Hij voelt hoe hij naar lichaam en ziel tot ontspanning komt. Ondertussen beschouwt hij de loop van hemellichamen, het klimaat, de zee, de aarde en haar metalen, de planten en dieren.
(Het volledige artikel bevat 2366 woorden)
Quote
Ronald Hermsen
Heilige huiver
Over het MYSTERIUM TREMENDUM et FASINOSUM praat ik nauwelijks. Daar neuzel je niet over op verjaardagen, partijen en in bushokjes. Als ik er al woorden voor vind, dan verschijnen zij hortstotend op het scherm van mijn laptop. Geluidloos en eenvoudig te deleten.
Soms wil ik het wel uitschreeuwen: ‘MYSTERIUM TREMENDUM et FASINOSUM! Dit is waar alles om draait! Iets anders is er niet! Je kunt wel nieuwe schoenen kopen, maar zonder dit huiveringwekkende en fascinerende mysterie val je in duizend stukjes uit elkaar en heb je aan nieuwe schoenen ook niets meer!’ Maar ik doe het niet. Ik produceer wel klanken, maar die vormen gemeenschapstaal: ‘Hoe is het?’, ‘Met mij ook’, ‘Lekker weer’, ‘Ja, dat heb ik ook’ … Terwijl ik eigenlijk wil zeggen: ‘Kijk eens om je heen, wij zijn omgeven door en doortrokken van dit mysterie.’
Bij momenten worden we het gewaar, een tel, een uur, een dag; zolang wij geen gedachten stapelen, woorden een berg opduwen of een berg zien en denken: berg. Want een berg is geen
b-e-r-g. (Een woord poogt slechts aan te duiden wat het ding ten diepste is.) Als de berg werkelijk binnenvalt, is er geen plaats meer voor een woord. En ook niet voor jezelf. Dan ís berg.
Huiveringwekkende momenten zijn het, als je zo een berg wordt, of een koolmees, een zucht wind, je dochter, een stoplicht of een boom. Later herinner je je dat je een berg was, of een koolmees, een zucht wind, je dochter, een stoplicht of een boom. Maar dat is anders. Dat is vanuit jezelf terugkijken naar jezelf die zich een berg, of een koolmees, een zucht wind, je dochter, een stoplicht of een boom wist. Terwijl je juist één van deze wás op het moment dat het MYSTERIUM TREMENDUM et FASINOSUM je overviel, van achteren, toen je even niet oplette, je onbespied waande en met een diepe zucht was leeggelopen. Dat zijn van die momenten die het mysterie met beide handen aangrijpt. Het valt binnen en meteen is er geen buiten meer. Zo gaat dat.
Bij Tjeu van den Berk, in zijn boek Het numineuze, lees ik:
‘[Deze ervaringen] (…) geven ter plekke zin aan het bestaan en verwijzen niet naar iets anders, vragen niet om geloof en vormen geen ankerpunt voor de hoop. De zin die een dergelijke ervaring geeft, kan min of meer diep zijn, min of meer intens, maar zelfs een korte schok kan een ervaring van heilige huiver oproepen. Wat er gebeurt, is waarschijnlijk nog het beste te omschrijven met: het mysterie van de dingen en van mezelf blijkt er gewoon te zijn (…).’
‘Heilige huiver’ had ik heel graag zelf willen bedenken.
Vooruitblik
‘Laten de zon en de wind onze leermeesters zijn.’ Dat is de boodschap van de Godin door alle eeuwen en religies. Een boodschap die in het Westen pijnlijk verdwenen is, en die tegenwoordig weer wordt verkondigd door het neopaganisme, wicca en andere (nieuwe) vormen van natuurreligie. Lees er alles over in de volgende BRES.
John van Schaik
De vrouw van JHWH
Waar is de Godin in het christendom eigenlijk gebleven? JHWH een vrouw! En waarom eigenlijk niet? Wanneer we de blik richten op de vrouwelijke aspecten van het goddelijke, komt er veel boven tafel. Wat blijkt dan: waar JHWH als schepper toch vooral scheidt, is het vrouwelijke juist verbindend.
Dit begint al meteen in Genesis, waar de schepping wordt beschreven. God scheidt de hemelen en de aarde, Hij scheidt dag en nacht en uiteindelijk scheidt Hij de vrouw van de man. Toch wordt JHWH in het Oude Testament ook als de grote meedogende beschreven. Hij trekt zich het lot van zijn volk aan en Hij trekt voortdurend voor het volk uit en met hen mee. Maar eerlijk is eerlijk, meestal is het niet JHWH zelf, maar zijn Naam, zijn Aangezicht of zijn Heerlijkheid die meetrekt. Dit is het vrouwelijke aspect van JHWH, want het Aangezicht of de Heerlijkheid is de Sjechina, die in de (latere) kabbala gezien wordt als het vrouwelijke aspect van God op aarde.
Sophia schept
In het Oude Testament wordt in de drie zogenaamde ‘Wijsheidsboeken’ Sophia verheerlijkt. Sophia staat in deze boeken beschreven als de (eigenlijke) schepper. In het Spreukenboek bijvoorbeeld:
JHWH schiep mij aan het begin van zijn wegen, nog vóór zijn werken, van oudsher. Van eeuwigheid ben ik gevormd, vanaf het begin, voordat de aarde ontstond. Toen er nog geen oceaan was, was ik al ontvangen (…) Hij had de aarde nog niet gemaakt en de velden, zelfs niet de elementen van de wereld. Toen Hij de hemel op zijn plaats zette, was ik erbij (…) Ik was bij Hem als uitvoerster. (Spreuken 8:22-30)
Sophia wordt herkend als de eigenlijke uitvoerster van het scheppingsplan. Dat is anders dan in Genesis, waar JHWH als het ware van boven- en buitenaf de elementen scheidt. In de wijsheidsliteratuur voltrekt Sophia het scheppingsproces van beneden af en van binnenuit. Wijsheid (Sophia) verblijft immers onder de mensen. De schepping is haar huis. Daar gaat zij rond:
Uit de mond van de Allerhoogste ben ik voortgekomen en als een nevel heb ik de aarde bedekt. Ik sloeg mijn tent op in den hoge en mijn troon stond op een wolkenzuil. Ik heb het hemelrond doorlopen en in de diepte van de afgrond ben ik rondgegaan. Op de golven van de zee en overal op aarde en bij alle volken en stammen kreeg ik macht. (Jezus Sirach 24:3-6)
(Het volledige artikel bevat 1510 woorden)
serie Noord-Amerikaanse spiritualiteit
Dick de Soeten
Deel 7
De schepping volgens de Haudenosaunee- en de Hopi-indianen
Hij maakte de mens in vier kleuren
Vierhonderd jaar geleden voorspelden de profeten van Noord-Amerikaanse stammen de spirituele renaissance die in het Westen in de jaren zestig begon. Deze medicijnmannen voorspelden ook dat de Noord-Amerikaanse spiritualiteit hierin een leidende rol zal krijgen en dat de indiaanse ceremonies en rituelen in deze tijd van spiritueel ontwaken openbaar zullen worden gemaakt. In deze serie over Noord-Amerikaanse spiritualiteit gaan we na in hoeverre de profetieën uitkomen en onderzoeken we wat deze spiritualiteit eigenlijk inhoudt.
In deze zevende en laatste aflevering bespreekt Dick de Soeten de scheppingsmythen van de Haudenosaunee- en de Hopi-indianen.
De scheppingsmythen van de Haudenosaunee- en de Hopi-indianen behoren tot de meest oorspronkelijke. Bij de eerste ontstond alle leven vanuit een wereld die boven ons was, terwijl volgens de Hopi het leven ontstond in verre onderwerelden, die zij stapsgewijs ontvluchtten naar de bovenste, de huidige wereld. Dit lijkt een heel verschil, maar er zijn ook merkwaardige overeenkomsten tussen de verhalen van de Hopi in Arizona en de Irokezen van New York en Quebec.
Het scheppingsverhaal van de volken van het Irokese bondgenootschap, dat ver voor Columbus’ aankomst ontstond door toedoen van de vredebrenger Deganawidah en de denker Hiawatha, is een voorbeeld van inheemse overlevering. Het oorspronkelijke woongebied van deze vijf, en sinds het begin van de achttiende eeuw zes volken, de Onondaga, Cayuga, Oneida, Mohawk, Seneca en Tuscarora, besloeg een groot deel van de huidige staat New York in de Verenigde Staten. Tegenwoordig wonen de meesten van hen in versnipperde gebieden in de Verenigde Staten en in de Canadese provincies Quebec en Ontario. Zij noemen zichzelf Haudenosaunee, het Volk van het Lange Huis.
Hun scheppingsverhaal begint aldus:
Men zegt dat er een andere plek was, een plek niet op deze wereld, waar mensen leefden. Naast allerlei levensvormen zoals we die op deze aarde kennen, stond in het midden van die plek een bijzondere boom die de Tree of Life, de Levensboom, wordt genoemd. In die wereld leefde ook een man die de taak had die Levensboom te beschermen en te verzorgen. Toen de vrouw van de levensboombewaker zwanger was, ontwikkelde zij al snel een bepaalde zucht naar vreemd of apart voedsel, zoals dikwijls gebeurt als vrouwen een kind verwachten. Ze drong er bij haar man op aan allerlei lekkernijen mee te brengen. Na enige maanden werd de vrouw nieuwsgierig naar de boom met zijn veelsoortige vruchten, maar ook naar de bast, de bladeren en de wortels van de Levensboom. Met de dag werd haar verlangen sterker.
(Het volledige artikel bevat 2720 woorden)
Column Azmayesh
In deze column geeft Seyed Mostafa Azmayesh een meditatieve overweging bij een Korancitaat. Seyed Mostafa Azmayesh is de vertegenwoordiger in het Westen van de Nematollah Gonabadi soefi-orde uit Iran.
Een pijl naar de hemel
Koran, Soera 10, vers 22-23
‘Het is Hij die laat reizen over de aarde en de zee.’
Bidden betekent een directe verbinding tot stand brengen met de Schepper.
Dit is anders dan aanbidden, want aanbidden heeft als doel te getuigen dat uitsluitend Hij (God) de eeuwige waarheid en de absolute realiteit is.
In de Koran wordt het aanbidden van Allah tot in detail uitgelegd in verschillende soera’s en verzen. Aanbidding is de basis van de lessen van de Koran. De zoeker begint er ’s morgens mee en sluit de dag er na zonsondergang mee af. Eén van de verplichtingen voor de mensen is dat zij hun voorhoofd in aanbidding voor hun Schepper naar de grond brengen.
Bidden daarentegen betekent een bepaalde gunst van de Schepper vragen. Een gebed wordt slechts geaccepteerd onder bepaalde voorwaarden. Zo mag er niet gebeden worden voor (materieel) eigenbelang of persoonlijke voordelen voor anderen, er mogen geen negatieve of positieve verzoeken gedaan worden voor anderen, noch mag men de verlangens van het ego volgen in het gebed.
Het gebed is te vergelijken met een pijl die afgeschoten wordt naar de hemel. Zij treft slechts doel wanneer zij afgeschoten wordt op een geconcentreerde manier, in de juiste richting. Wanneer iemand zich hulpeloos voelt en zich met een zuiver hart en een zuivere intentie op de Schepper richt, dan opent zich voor hem de poort naar heilige ondersteuning en hulp.
Het beste voorbeeld van een succesvol gebed wordt door de Koran gegeven in Soera 10, vers 22-23:
‘Het is Hij die laat reizen over de aarde en de zee. Wanneer men op een schip geniet van de reis is dat vanwege de gunstige wind. Een plotselinge krachtige storm omsingelt de boot overal met hoge golven. (Verstoken van enige hulp) bidt men tot Allah met een oprechte en zuivere aandacht: “Wanneer U (God) ons laat ontsnappen aan deze akelige situatie dan zullen wij U voor altijd dankbaar zijn.” Maar, wanneer We (Allah) hen gered hebben uit deze moeilijke en gecompliceerde situatie gedragen zij zich op de aarde meteen weer onrechtmatig. O mensen, jullie zelfzucht gaat ten koste van jullie zelf, het is slechts gericht op het genot van een hedonistisch leven.’
In bijvoorbeeld een noodsituatie kan men ervaren dat er iets is wat krachtiger en echter is dan het op de mens gerichte denken en handelen. Snel worden het zuivere hart en de zuivere intenties daarna meestal weer overspoeld door de hedonistische zorgen en noden van de dag. De Koran zegt dat dit laatste ‘ten koste gaat van jullie zelf’. Dus ten koste van datgene wat we in werkelijkheid zijn, een werkelijkheid die we tijdens een oprecht gebed kunnen ervaren!
|