L.S.,
Ik ben ook een magiër. Van de zomer nog, toen we met de auto op vakantie gingen. Eerst de auto voor een kleine beurt naar de garage: een tempel vol priesters in blauwe overalls. Daarna de auto goed gewassen – alle vuiligheid eraf. En voor we vertrokken de auto vriendelijk toegesproken: dat hij zijn best zou doen en ons weer veilig thuis zou brengen. En natuurlijk een schietgebedje tot Maria. Eenmaal weer thuis heb ik onze auto klopjes gegeven: ‘Goed gedaan, jongen.’ De auto kwispelde nog net niet.
Maar dit alles is wel een vorm van magie. Zoals verschillende auteurs in deze BRES beweren: ons dagelijks handelen zit vol magie, ook al noemen we het niet meer zo. Magie is dus niet iets engs. Geen hocus pocus, maar alledaags. Het is pas sinds de Verlichting dat we er hocus pocus van hebben gemaakt en daarmee iets ‘magisch’.
Uiteraard bedrijf ik ‘volksmagie’ wanneer ik mijn auto toespreek. Maar er is ook nog zoiets als ‘hogere’ of ‘wetenschappelijke magie’. Zoals bij de oude Egyptische magiërs, die ingewijden waren en aldus kennis hadden van het ‘zo boven, zo beneden’. En zoals professor Perkamentus uit de Harry Potter-films. En zo is het nog steeds in bijvoorbeeld de katholieke eucharistie, waarin door middel van materiële artefacten (wierook, hostie) God present gesteld en aanbeden wordt. Zonder goden geen magie, en andersom, zegt een auteur.
Nu is mijn auto geen god, maar ik verbeeld me dat wij weer veilig thuis zijn gekomen omdat ík de auto ‘magisch’ heb toegesproken.
John van Schaik
|
|
Laatst geupdate op ( vrijdag 28 januari 2011 )
|